Nieuws

Indiaans Nieuws in de Nederlandse Dagbladen - deel 35Kiva_logo

Door Frans L. Wojciechowski

Indiaans Nieuws bestrijkt deze keer de periode juni t.m.  september 1998.   

Red Road

In De Belgische krant De Morgen werd op 4 juni 1998 aangekondigd  dat met  ingang van de dag erna de strip Red Road van de Zwitserse striptekenaar Derib in deze krant zou gaan verschijnen.  Het verhaal speelt zich af in de huidige tijd  in Zuid Dakota. Hoofdpersoon is Amos Lambert, een 16-jarige Lakota Indiaan die  heen en weer geslingerd wordt tussen  Lakota traditie en moderne tijd. Amos hoort  van zijn grootvader dat hij een afstammeling is van de beroemde medicijnman "Hij die tweemaal geboren werd". Hij  ontdekt dat hij een geestelijke roeping heeft  die nauw met deze voorvader verbonden is.

Bron: De Morgen, 4 juni 1998.

Commentaar: Meer over Derib en andere Indianenstripschrijvers kunt u  vinden in de twee artikelen van Julio Punch over Indianenstrips in Kiva 1994 no.  3 blz. 67-69 en 1994 no.4 blz. 93-95.

Het Crazy Horse monument

Na vijftig jaar werk is op woensdag 3 juni 1998 het uitgehouwen hoofd van het   Lakota opperhoofd Crazy Horse onthuld. Het gezicht meet 26 bij 18 meter en is  onderdeel van een mega-sculptuur van Crazy Horse te paard. Het hele monument  wordt 172 bij 195 groot en is wordt uitgehouwen uit Thunderhead Mountain. Deze berg ligt in op 35 kilometer van Mount Rushmore, waar de hoofden van vier   Amerikaanse presidenten zijn uitgehouwen. Wanneer het immense beeldhouwwerk  klaar zal zijn is niet bekend. Hoewel nog verre van af is het Crazy Horse  Monument nu reeds een grote toeristische trekpleister.

De Indianen zijn over het algemeen positief over het Crazy Horsen monument,  met  name omdat aan de voet ervan een Educatief en Cultureel Centrum voor Native  Americans is gebouwd. Indianen hebben hier gratis toegang. Er zijn echter ook   Indianen die bedenkingen uiten: "Waarom moeten we een berg kapot maken om een  beeld te maken?", zo vraagt John Yellow Bird Steele, de voorzitter van de  Oglalla  Sioux stamraad zich af, ook al zegt hij het project in principe te steunen.

Bronnen: Het Volk, Zwolse Courant, 5 juni 1998; Leeuwarder Courant 6 juni 1998; De Telegraaf 16 juni 1998.

Commentaar: Meer informatie over het Crazy Horse monument en zijn  geschiedenis vindt u o.a. in Indiaans Nieuws deel 28 (Kiva 1996 no. 3, blz. 86-87) en deel 31 (Kiva 1997, no. 3, blz. 88-89).

Indianen eisen heilige voorwerpen uit Museum terug

Het Natuurhistorisch museum in Denver, Colorado, moet enkele van zijn  vitrines  opnieuw inrichten, nadat Indianen van de Hopi stam op grond van een wet  enkele religieuze en heilige voorwerpen hadden teruggevorderd.

"We hebben deze voorwerpen nodig om onze cultuur in stand te houden", aldus  Lee  Lomayestewa, onderzoeksassistent van de Hopi in Kykotsmovi, in Arizona.  Lomayestewa zei dat de voorwerpen bij het bidden worden gebruikt. "We bidden  voor alle Amerikanen dat ze lang en gelukkig, zonder ziekte mogen leven. We  bidden om regen, omdat we in een droog landbouwgebied leven".

Het museum droeg onder meer maskers, poppen en veren die bij stamrituelen   gebruikt worden over. Volgens Lomayestewa kan de stam zonder deze voorwerpen enkele belangrijke rituele dansen niet uitvoeren.

In totaal hebben meer dan 200 stammen op grond van een in 1992 aangenomen wet   meer dan 300.000 voorwerpen van musea opgeëist.

Bronnen: Leeuwarder Courant 6 juni 1998, Trouw 8 juni 1998.

Commentaar: Meer informatie over deze kwestie vindt u in het artikel van   Angelique Beekhuis over de Native American Graves Protection and Repatriation  Act in Kiva 1995 no. 3, blz. 55-78.

Kennewick Man wordt onderzocht

Wetenschappers krijgen de kans om een bijzonder skelet van 9300 jaar oud te   bestuderen dat in 1996 in de Amerikaanse staat Washington bij het plaatsje Kennewick gevonden werd. Een federale rechter besloot na een hoorzitting dat  Indianen de stoffelijke resten niet zonder meer mogen begraven ook al schrijft de nabestaandenwet dat voor.

De Kennewick Man vertoont volgens de experts merkwaardig veel lichamelijke  kenmerken van een blanke Europeaan. Wetenschappers hebben daarom steeds proberen te verhinderen dat de beenderen direct en onbestudeerd zouden worden  herbegraven. Zij bepleiten onderzoek naar de herkomst van het skelet, dat  mogelijk nieuw licht werpt op de vroege geschiedenis van de volken van Noord  Amerika.

Bron: De Volkskrant 6 juni 1998.

Commentaar: Voor meer informatie over de controverse rond de Kennewick  Man, verwijzen we naar eerder afleveringen van Indiaans Nieuws en met name naar deel 34 in Kiva 1998 no.¾, blz. 89-98.

Een nieuw boek over Tecumseh

Over het Shawnee opperhoofd Tecumseh zijn in de loop der tijd diverse boeken  geschreven. Recent is er weer een bij gekomen, namelijk "Tecumseh, a  Life" van de Engelsman John Sugden. Het werk telt 492 bladzijdes, is  uitgegeven door Henry Holt  en kost in Nederland f 83,20,volgens de opgave van Sjoerd de Jong die het boek voor het NRC Handelsblad recenseerde.

Sjoerd de Jonge karakteriseert het boek als punctueel en uitputtend. "Toch komt de  persoon Tecumseh niet echt tot leven; daarvoor verdwijnt hij teveel naar de achtergrond, door alle minutieus beschreven incidenten en diplomatieke  verwikkelingen. Sugdens stijl is bovendien nogal plechtig, waardoor het een hele opgave wordt je door zijn vierhonderd pagina's tekst heen te werken.

Die moeite wordt gelukkig ruimschoots beloond. Sugden sympathiseert weliswaar   met het lot van de Indianen, maar hij beschrijft hun langdurige en brute conflict met de blanke kolonisten nu eens niet in sentimentele of romantische termen. Hij doet  recht aan de complexe relaties tussen Indiaanse stammen en Europese handelaren en kolonisten, en aan de Brits-Amerikaanse conflicten waarin de Indianen hopeloos verstrikt raakten."

Bron: NRC Handelsblad 12 juni 1998.

Commentaar: Een bespreking van en ander boek over het leven van Tecumseh  vindt u in het artikel van Herman Cohen Stuart in het vorige Kivanummer op blz.  82-83.

In het spoor van de Indianen

Journalist Rob van den Dobbelsteen doet in de zaterdagbijlage van de Zwolse   Courant verslag van zijn reis naar Indian Country Arizona en geeft de lezer  tevens informatie over de mogelijkheden om zelfstandig of met een reisgezelschap   hetzelfde te gaan doen (o.a. met Arke Reizen, duur 14 dagen, kosten f 2995 inclusief vliegreis).

Van den Dobbelsteen bezocht o.a. het gehucht Walpi in het Hopi reservaat,   waarover journalist Nico Koolsbergen van het Eindhovens Dagblad eerder dit jaar  reeds berichtte (zie Indiaans Nieuws deel 34 in het vorige Kivanummer op blz.  95).  Verder bezocht hij ook de Hopi hoofdstad Kykotsmovi, alwaar hij zich verbaasde over de hoge prijzen van de Kachina poppen die aldaar te koop werden  aangeboden.  Behalve de uitgebreide informatie over reismogelijkheden naar de Indianenreservaten in Arizona en omliggend gebied heeft Rob van den Dobbelsteen  verder niet veel bijzonders te vermelden.

Bron: Zwolse Courant, 13 juni 1998.

Verven voor de Indianen

In buurtkindercentrum Boboemba te Hilversum organiseerde Kivadonateur Elvira  Ballast  een middag schilderen en tekenen. Doel: geld ophalen voor de Indianen.

Elvira is sociaal pedagogisch werkster: "Het idee iets voor de Indianen te doen, is  ontstaan door een cursus. De eindopdracht was om iets te doen vanuit je  hart. Ik ben gek op kinderen en Indianen. Dus dat wilde ik combineren".

De kinderen van het buurtkindercentrum beschilderden elk een fraai T-shirt dat aan  het eind van de middag per opbod geveild werd. De totale opbrengst van de actie was ruim 700 gulden en is bedoeld voor de Culture School van de  Unkechaug  Indianen die een reservaat op Long Island hebben. Elvira was van plan  om dit najaar het geld zelf naar de Unkechaug te gaan brengen.

Bronnen: Gooi en Eem Bode 25 juni en 9 juli 1998,

Commentaar: Volgens de Gooi en Eembode kwam Elvira "via de Kena stichting, een belangengroepering voor Indianen in Nederland" in contact met de kleine Unkechaug  stam die op het Poospatuck Reservaat op Long Island woont. Met deze "Kenastichting" wordt De Kiva bedoeld. De journalist heeft echter niet alleen de  naam verkeerd gespeld maar van De Kiva ook nog eens een stichting  gemaakt. Wat het steunproject betreft: Margot Thunderbird, de echtgenote van het  opperhoofd van  de Unkechaug Indianen, heeft op het Poospatuck reservaat een schooltje waar ze met eigen middelen (zonder enige vorm van overheidssubsidie) les geeft in de  traditionele cultuur en het weinige dat nog van de Unkechaug taal over is doorgeeft aan de Unkechaug jeugd. Ik ben zelf in dit voorjaar te gast geweest bij de stam en  kan betuigen dat de Unkechaug Culture School het geld hard nodig heeft en dat het daar goed gebruikt zal worden.

Een mysterieus stripverhaal

Van oost naar west, van zuid naar noord, overal in Canada hebben Indianen en Inuit  hun kunstzinnige uitingen op rotswanden achtergelaten. De losse  afbeeldingen lijken lukraak neergezet, maar ze vertelen el degelijk een verhaal.

Een van de belangrijkste vindplaatsen van gegraveerde rotskunst in Noord Amerika  is gelegen in het Petroglyphs Provincial Park bij Stony Lake in centraal Ontario. Op een van de hoogste punten in dit park staan meer dan driehonderd afbeeldingen op  een enigszins hellend stuk rots van circa 60 bij 35 meter. Een glazen gebouw is er overheen gezet om de gravures te beschermen tegen  weersinvloeden.

Volgens leden van de Anishnabe (Ojibwa of Chippewa), een Indianenvolk dat  hier  woonde, gaat het om een plek waar jonge mannen onder begeleiding van stamoudsten en geestelijke leiders rituelen ondergingen op weg naar hun   volwassenheid. De gravures vertellen geen samenhangend verhaal, zegt de  parkwachter. De Indianen beschreven er hun relatie met de wereld der geesten en   met de natuur. Op het hoogste punt bevindt zich een losse platte steen met wat keien er omheen: een offerplaats waar tabak werd gebrand om de geesten te eren.   De Anishnabe noemen de rots ´kinomagewapkong´, de rots die leert. Zij geloven  dat de tekeningen boodschappen bevatten voor alle volkeren; het zijn lessen die   alleen geleerd kunnen worden in de praktijk, illustraties bij onderwijs over en  spirituele, bovennatuurlijke wereld. Herkenbaar zijn gravures van schildpadden  (symbool van geduld, een lang leven, vruchtbaarheid), kraanvogels of reigers (waarschijnlijk een symbool van een belangrijke familie binnen de stam), kano's   (voor vervoer van de geesten), slangen (bewakers van de waterbronnen, symbool  van vernieuwing en geestelijke wedergeboorte) etc.

Behalve op deze rots in het Petroglyphs Provincial park zijn er nog meer dan  driehonderd plaatsen in Canada waar zulke rotsgravures te vinden zijn. Daarnaast zijn er ook rotstekeningen die voornamelijk met rode oker, water en dierlijk vet  gemaakt werden. Voor de Indianen zijn het heilige plaatsen of locatie van  samenkomst met symbolische betekenis. De sjamanen hielden er religieuze   bijeenkomsten. In het Kejimkujik National park heeft men in de rotsen bij  George´s Lake o.a. rotsgravures gevonden die waarschijnlijk een belangrijke mythe van de Mikmaq Indianen uitbeelden.

Informatie over Indiaanse en Inuit rotskunst is verkrijgbaar bij de Canadese  parkinstanties of bij lokale toeristenbureaus. Veel musea in Canada hebben afdelingen war over dit fenomeen meer is te zien.

Bron: De Volkskrant 5 juli 1998.

Smoke Signals

De film ´Smoke Signals´ was de verrassing van de Amerikaanse filmzomer. Deze  film, die geheel door Indianen werd geproduceerd, ging eind juni 1998 in de  Verenigde staten in premiére.

Het is een Indianenfilm zonder cowboys, zonder cavalerie en zonder wilde natuur.  Wat de film wel heeft, aldus recensent Juurd Rijsvogel, is tegendraadse  humor en een onconventionele kijk op het vaak armzalige bestaan van Indianen in het huidige Amerika.

De film begint op een reservaat van de Coeur d’Alene Indianen in de staat  Idaho. De  deprimerende omstandigheden in het reservaat zijn niet het thema maar  de vanzelfsprekende achtergrond van het hele verhaal, waar de hoofdpersonen zelf   cynische grappen over maken. Aardiger dan het niet heel bijzondere verhaal,  alweer volgens Juurd Rijsvogel, is de speelse manier waarop de film voortdurend de draak  steekt met de stereotypen van het Indiaanse leven. En tegelijk neemt de  film je in voor al die personages, die met cynische grappen proberen om tegen beter weten in het tij van de geschiedenis te overleven.

Bron: NRC Handelsblad 8 juli 1998

Indianen in Geraardsbergen

In de maanden juli en augustus van 1998 reisden vier Canadese Cree Indianen  uit  het gebied van James Bay in Quebec door Vlaanderen. Zij kwamen op  uitnodiging van de Gentse vzw Indian Art om de Indiaanse kunst en cultuur te promoten. Op  hun rondreis gaven ze lezingen over de Indiaanse levenswijze en  filosofie en demonstreerden ze oude stamambachten.. Ze kampeerden eerst in het  provinciaal  recreatiedomein De Gavers in Geraardsbergen en later in de provinciale domeinen van Puyenbroeck, Kessel-Lo en Huizingen.

De vier Cree Indianen kwamen uit het plaatsje Amos, gelegen op ongeveer 600  km  ten noorden van Montreal. Deze gemeenschap tracht nog te leven op de traditionele manier. Twee maanden per jaar trekt men de wouden in en leven de Cree van de  jacht en visvangst. Stamhoofd Maurice Kistabish vaardigde hen af om  naar Vlaanderen te gaan. Alfred Polson, de woordvoerder van de vier Cree, was echter  weinig optimistisch over de toekomst van hun tradities : "De jongeren  raken de oude cultuur kwijt. Ouderen leren de kinderen meestal alleen nog maar over de bush -  jagen, vissen, verzamelen - en vergeten andere, even belangrijke dingen: ceremonies, dansen en gezangen". Alfred is nog een van de weinigen die nog weet  hoe een zweethutceremonie uitgevoerd moet worden. Maar in Vlaanderen begint hij er niet aan: "Ik heb er de tijdniet voor. Meestal begin ik twee of drie weken op  voorhand. Ik zoek een plaats uit war mijn hart zich goed volt en daar bouw ik de hut. De mensen die willen deelnemen, ontmoet ik minstens twee  weken voor de  eigenlijke ceremonie. Niet iedereen kan of mag eraan me doen, ze moeten er ernstig over nagedacht hebben".

Bronnen: Het Nieuwsblad 14 juli 1998, De Morgen 17 juli 1998.

Fortuin lacht de Indianen in Canada toe?

De Gitxsan Indianen van British Columbia in Canada strijden al jaren voor hun   landrechten. Zij maken aanspraak op wat zij als hun traditionele grondgebied beschouwen: 58.000 vierkante kilometer bebost bergland in het noordwesten van   British Columbia. Dit is een gebied anderhalf keer zo groot als Nederland. Het gebied is rijk aan grondstoffen, hout en vis.

De jarenlange juridische strijd van de Gitxsan leidde onlangs tot een  principe  uitspraak van het Canadese Hooggerechtshof in Ottawa over het beginsel van Indiaanse aanspraak op land. De beslissing in de zogenaamde Delgamuukw-zaak  is  genoemd naar een opperhoofd dat namens de Gitxsan in 1984 een rechtszaak begon. De uitspraak schrijft dat Indiaanse aanspraken op stukken grond in   tegenstelling tot het regeringsstandpunt niet ongedaan zijn gemaakt bij de bezetting van het land door de Europeanen. Sterker nog: de Canadese autoriteiten  kunnen die aanspraken niet eenzijdig teniet doen. Tot dusverre hebben ze onterecht aangenomen dat bij de vorming van reservaten alle andere aanspraken  kwamen te vervallen.

Het besluit heeft verregaande consequenties voor Indiaanse stammen die hun  gebieden nooit via verdragen met Europeanen hebben afgestaan in ruil voor geld of andere gunsten Als ze hun claims kunnen bewijzen moeten de Canadese   autoriteiten de Indianen toestemming vragen voor het gebruik va hun terrein, bijvoorbeeld voor het winnen van grondstoffen. De Indianen zouden bovendien  moeten meedelen in de opbrengst.

De vooruitstrevende rechtspraak is echter ook omstreden. In British Columbia,  waar  de meeste Indianen nooit verdragen hebben afgesloten, wordt op bijna elke  vierkante meter aanspraak gemaakt door een van de ongeveer tweehonderd  Indiaanse  stamgroepen die er leven. Dit alles heeft een verlammende werking op verdere  economische ontwikkeling. British Columbia sloot in de hoop zo aan een  overvloed  van rechtszaken een einde te maken een eerste modern verdrag met Indianen. De Nisga’a Indianen krijgen bijna tweeduizend vierkante kilometer land  (terug), 200 miljoen dollar en een hoge mate van zelfbestuur. Critici vinden dat de 6000 leden stellende Nisga’a stam veel te veel krijgt.

Verder zijn lang niet alle Indianen bereid om het voorbeeld van de Nisga’a te   volgen: Don Ryan van de Gitxsan verklaart: "Ze willen dat je je aanspraak op het land afstaat voor concreet eigendom van vijf procent. En dat doen we natuurlijk  niet,  gezien wat het Hof over ons eigendomrecht heeft gezegd. Ons gebied is rijk aan grondstoffen: het is miljarden dollars waard. Waarom zouden we dat opgeven voor kralen en spiegels?".

Wat de Gitxsan willen is volwaardige deelname aan de exploitatie van hun hele   grondgebied. Ryan heeft weer een nieuw discussiestuk klaarliggen voor de Canadese autoriteiten, aangepast aan zijn verstrekte onderhandelingspositie. "De   Indianenoorlogen duren nog steeds voort", zegt hij. "Al voeren we ze nu in de  rechtzaal".

Op 5 augustus 1998 tenslotte stond er een foto in het NRC met de volgende  tekst:  "Leiders van de Canadese Nisga’a Indianen arriveerden gisteren met een escorte van jonge krijgers in New Aiysan om een verdrag te ondertekenen dat hen  het  eigendomsrecht en zelfbestuur geeft over hun stamgebied in British Columbia. Het is voor het eerst dat Canada een dergelijk landgeschil met een verdrag oplost." De  Alkmaarse courant wist nog te melden dat het akkoord het resultaat was van 25 jaar formele onderhandelingen en 85 jaar nadat de Nisga’a de Canadese overheid voor  het eerst benaderden over hun landeisen. De ondertekening is nog maar een eerste stap naar de officiële overdracht. De parlementen van Canada,  British Columbia en  de Nisga’a Nation zelf moeten het verdrag nog ratificeren  voor het daadwerkelijk in werking kan treden.

Bron: NRC Handelsblad 1 en 5 augustus 1998, Alkmaarse Courant 5 augustus  1998.

VN-werkgroep voor Inheemse Volken

Saskia Jansens van dagblad Trouw rapporteert over haar bezoek aan de VN   Werkgroep voor Inheemse Volken te Genève. Ze sprak er o.a. Willy Littlechild,  een Indiaan van de Cree Nation uit Canada. Deze is behalve docent internationaal en nationaal Indiaans recht ook advocaat.

Dit jaar was Inheems Onderwijs en Taal het centrale thema van de werkgroep.   Littlechild over de situatie in Canada: "In Canada worden wel 58 talen gesproken, maar slechts zes of zeven hebben kans te overleven. Mijn taal zal het  wel redden,  maar de meeste inheemse talen zijn met uitstreven bedreigd. Je hebt  onderwijs nodig om ze te bewaren. Maar wie controleert de scholen? Het is een  gigantisch  probleem dat je niet met een dag praten in de VN werkgroep kan oplossen."

Verder meldt hij dat in 2003 voor het eerst de "Olympische Spelen" voor  inheemse  volken zullen worden gehouden. Australië, Canada, Rusland en de  Verenigde Staten hebben zich al als gastland aangeboden en ook Juan Samaranch van het IOC ondersteunt het initiatief.

Bron: Trouw 8 augustus 1998.

Boek over dolfijnen

Onlangs verscheen het rijk geïllustreerde, 48 pagina’s tellende werk "Houden van  dolfijnen" (uitgave: Dolfinarium/Educomm, prijs f 22,95). Het boek besteedt  behalve aan de dolfijnen, ook uitvoerig aandacht aan de vooral op Vancouver  Island levende  Kwakwaka’wakw Indianen. Al sinds de oudste tijden leeft dit volk in nauwe samenspraak met de hen omringende levensvormen, met name de dolfijnen, orca’s en zeehonden.

Bron: Zwolse Courant 22 augustus 1998.

Antropoloog Roosens over Indianen in Quebec en migranten in Brussel

Journalist Etienne van Neygen interviewde antropoloog Eugeen Roosens naar   aanleiding het verschijnen van diens van zijn nieuwste boek getiteld: "Eigen  grond eerst? - Primordiale autochtonie. Dilemma van de multiculturele  samenleving"  (uitgave: Acco-Leuven, 227 blz., prijs 795 Bfr.).

Roosens heeft de afgelopen dertig jaar acht keer de Huron (Wendat) Indianen  van  het dorpje Lorette in Quebec bezocht, in eerste instantie "om te onderzoeken hoe een volk sterft". De Huron waren namelijk al geruime tijd sterk verwesterd en waren  zodanig met blanken vermengd dat de meesten er niet meer ‘Indiaans’  uitzagen. Toen hij de Huron in 1968 voor het eerst bezocht had Roosens de  stellige  overtuiging dat het men hen gauw gedaan zou zijn, dat ze binnen korte  tijd in de Canadese bevolking zouden opgaan. Het is echter allemaal anders  gelopen. De  afgelopen dertig jaar hebben we een revival van Indiaanse cultuur en identiteit gezien.

Roosens: "Je kon toen zien hoe een volk als de Huronen, dat zelfs zijn taal  niet  meer kende, dat sterk vermengd was geraakt, dat katholiek was geworden en  dat vergeten was dat het een matrilineaire structuur had, zich als volk met een  eigen  cultuur ging manifesteren. In feite reconstrueerden zijn hun hele cultuur, te beginnen met de naam: de Wendat. Een dergelijke ontwikkeling zag je in heel   Canada. En in naam van die cultuur maakten de Aboriginals aanspraak op de  gronden waarop hun voorouders hadden geleefd."

Bron: De Standaard 24 augustus 1998.

Wolf Song

Eind augustus 1998 werd in De Paasheuvel te Vierhouten op de Veluwe de negende  Wolf Song gehouden. Dit is de naam van een samenkomst van zo’n negentig  Peace Elders uit verschillende landen en van verschillende volken, religies en  wereldbeschouwingen. Woordvoerder Renee van Zandvoort: "Peace elders zijn mensen die vanuit hun kennis en wijsheid hebben besloten zich voortaan in te  zetten voor de wereldvrede, en daar ook andere mensen op aanspreken". In 1991 vond de  eerste Wolf Song plaats op het Cattaraugus Reservaat van de Seneca Indianen in  de staat New York.

Onder de deelnemers aan de Wolf Song op de Veluwe waren o.a. Morgan  Eaglebear,  naar verluidt een "oude volbloed Apache Indiaan", en "Tlakaelel, de  Azteekse priester", een "Engelsman die is geadopteerd en grootgebracht door de  Hopi  Indianen" en de ‘parapsycholoog’ Nick Nocerino, die beweerde dat hij paranormaal kon communiceren met de kristallen doodskop die hij bij zich had.

Bronnen: Zwolse Courant 26 en 27 augustus 1998; Eindhovens Dagblad 28   augustus 1998.

Commentaar: Werken voor de wereldvrede is een lovenswaardig streven. Het  feit dat de Peace Elders o.a. vijf kristallen doodskoppen gebruikten om "oeroude  kennis  boven water te krijgen" vond ik persoonlijk wel wat erg wild en zweverig aandoen.

Ik ben zelf niet aanwezig geweest op de Wolf Song te Vierhouten en kan me  daarom  geen definitief oordeel er over aanmatigen. Wat ik in de Zwolse Courant  en het Eindhovens Dagblad heb gelezen (o.a. de wazige grootspraak van ‘parapsycholoog’  Nick Nocerino over zijn geneeskracht, gebaseerd op het in het  bezit hebben van een kristallen doodskop met de naam ShaNaRa) doet echter bij tijd en wijle het ergste  vermoeden. Bij mij is in ieder geval de indruk gewekt  dat het geheel een vrij hoog New Age-gehalte heeft en dat er onder de Peace Elders behalve oprechte mensen  met goede bedoelingen ook een aantal charlatans  en bedriegers zijn.

Boekbespreking: Indian Killer

‘Indian Killer’ is de tweede roman van de Indiaan Sherman Alexie. Op het eerste  gezicht bevestigt het boek, aldus recensent Gertjan Vincent, de  hardnekkige beeldvorming rond Indianen, die iedereen met de paplepel ingegoten heeft  gekregen. De seriemoordenaar, naar wie de titel van de roman verwijst, scalpeert er namelijk lustig op los en laat als handelsmerk twee witte  uilenveren op het lichaam  van zijn slachtoffer achter. Maar schijn bedriegt: "Onder het mom van een thriller confronteert hij [Sherman Alexie] de lezer met de consequenties van  vooringenomenheid en de valkuilen van politieke  correctheid. Tot in de ontknoping van de roman zet hij de lezer op het verkeerde been en laat hem met een ongemakkelijk gevoel achter."

Hoofdpersonen van het verhaal zijn de 27-jarige John Smith, een door een blank  kinderloos echtpaar opgevoede Indiaan, en Jack Wilson, een detective schrijver die zich voor Indiaan uitgeeft om zichzelf en zijn boeken  interessanter te maken. Het  schijnt een spannend boek te zijn: "Wie zeker meent  te weten dat hij de oplossing in handen heeft, komt in ieder geval bedrogen uit.

Indian Killer is in Nederlandse vertaling verschenen bij Uitgeverij Anthos te   Amsterdam, telt 320 blz. en kost f 39,90.

Bron: Trouw 4 september 1998.

Mandella’s en kachina’s

Wim Koot begon in 1996 met het importeren van Indiaanse spullen, zoals die onder  meer in het winkeltje Wapiti aan de Grote Gracht in Maastricht te koop zijn. Een paar keer per jaar gaat hij zelf naar de reservaten in de Verenigde  Staten, meestal  in Arizona en New Mexico, om authentieke Indiaanse kunstnijverheid op te kopen. Dit doet hij in samenwerking met de Indianenwinkels  Wapiti in Maastricht en Kokopelli in Alkmaar.

"De Indianen proberen op deze manier hun culturele erfgoed in stand te houden. Ik  koop authentieke pullen van kunstenaars die allemaal staan ingeschreven bij de Indian Arts and Crafts Association." Het echtheidscertificaat hangt aan elk gekocht stuk.

Bron: Dagblad de Limburger 19 september 1998.

Indianenverhalen in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden

Diverse kranten hebben (meestal uitgebreid) aandacht geschonken aan de  tentoonstelling over de Indianen van Noord Amerika in het Rijksmuseum te Leiden. De tentoonstelling getiteld ‘Indianenverhalen’, opende op 25 september 1998 en is  te zien tot 16 mei 1999. De schrijvers van de artikelen zijn in het algemeen positief over de tentoonstelling. Harro Hielkema van dagblad Trouw legt in zijn bespreking  de nadruk op de correctie van de verkeerde beeldvorming die er in de loop van de tijd ver de Indianen is ontstaan. De tentoonstelling laat enerzijds  via afbeeldingen  en illustraties die verkeerde beeldvorming zien en tracht ze darna te corrigeren door correcte informatie.

Eric Hendriks van De Volkskrant schrijft ook over deze correctie van de  verkeerde  beeldvorming over de Indianen. "Maar het mooiste deel van deze boeiende tentoonstelling zit gewoon in vitrines en is zo’n beetje overal te vinden. Het bestaat  uit honderden Indiaanse voorwerpen: kleding, aardewerk,  vredespijpen, wiegjes, tasjes, wapens, hoofdtooien, beelden, de een nog meer een  lust voor het oog dan  de ander. Veel ervan is de vorige eeuw verzameld (niet gestolen, benadrukt het museum) door liefhebbers als de Nederlandse  arts/antropoloog Herman ten Kate  (1858-1931). Mensen als hij hebben de  kunstnijverheid van de Noord Amerikaanse Indianen in het Westen zo beroemd  gemaakt, dat de schoonheid ervan tot de geijkte beeldvorming is gaan behoren."

Pam Emmerik van het NRC Handelsblad heeft het enerzijds over de beeldvorming  ("Indianen mogen nooit zichzelf zijn, altijd wordt ze heen beeld opgedrongen van hoe anderen hen het liefst zien) en anderzijds maakt hij van de gelegenheid  gebruik  om aan de hand van de foto’s van Edward S. Curtis, waarvan een aantal  ook in Leiden te zien zijn, uitgebreid te vertellen over het werk en leven van  Curtis.  Jammer dat Emmerik niet de verleiding heeft kunnen weerstaan om het  onderwerp Indianen weer eens een beetje in het belachelijke te trekken: Hij meet zichzelf  spottend de naam Rollend Hert aan, en kent ook anderen ‘Indiaanse’ spotnamen toe in zijn artikel: "een uitgeprocedeerde asielzoekster (Dood Sloop), of een rijkswachter  (Wrede Vuist)" en nog meer van deze ongein. Hij eindigt zijn bespreking met de zin "Uggh!” Rollend Hert heft vurig gesproken". Oh, wat ‘leuk’ toch, Pam Emmerik!

Ik kan daarom S. De Jong van het Reformatorisch Dagblad helemaal gelijk geven   wanneer hij concludeert: "Hoe dapper ook, één gevecht heeft bovengenoemde  Indiaan nog niet kunnen winnen. Dat is de strijd tegen de beeldvorming. Als  betrof  het een immer voortdurende samenzwering hebben schrijvers, tekenaars en  anderen ertoe bijgedragen dat het cliché van de roodhuid diep in onze westerse geesten ligt  verankerd." Zo diep zelfs dat journalisten van gerenommeerde kranten die over deze tentoonstelling berichten, zelf ook niet aan ontsporingen  ontkomen die op dit cliché gebaseerd zijn.

Bronnen: Zwolse Courant 24 september 1998, Trouw 26 september 1998, De  Volkskrant 26 september 1998, NRC Handelsblad 2 oktober 1998, Reformatorisch Dagblad 3 oktober 1998.

Uit: De Kiva 35e jaargang no. 5/6, september december 1998, © de Kiva